Historie

Het Noorse Fjordenpaard is een van ‘s werelds oudste en puurste rassen. Het ras stamt zeer waarschijnlijk af van het centraal Aziatisch paard, de Tarpan. Aan de Tarpan heeft hij ook zijn kleur, aalstreep en soms ook zebrastrepen te danken.

De Tarpan was een bijzonder sterk en vruchtbaar dier met een stokmaat van ca. 1.20 cm. Het wilde paard leefde al duizenden jaren voor Christus in Frankrijk, Spanje en Zuid Rusland. De laatste in het wild levende Tarpan werd gezien in het begin van de twintigste eeuw in Rusland.

 

Het paard op deze, meer dan 30.000 jaar oude, grot schildering toont een opvallende gelijkenis met de Fjord.

 

 

Toen de ijstijd verdween en het water steeg, doordat ook de temperatuur steeg, kwamen er grote  kuddes paarden voor in Noorwegen. Paarden van de Britse eilanden, destijds door ijs en land verbonden met Noorwegen, uit Zweden en andere omringende landen. Deze paarden, die van her en der doorstroomden naar Noorwegen, werden “Viking Paard” genoemd. Zo’n 3000 jaar geleden werd dit paard door de Vikingen gedomesticeerd.

Het Viking paard was een robuuste gedrongen pony die het goed deed in het barre Noorse klimaat. De Vikingen voeren met hun lange schepen naar IJsland en de Britse eilanden en namen deze paarden mee, dit had een grote impact op de lokale rassen, die uiteindelijk evolueerde. Het IJslandse paard is zo’n geslaagde combinatie van de Britse pony en het kleine Viking Paard.

Ze namen ook paarden mee terug, o.a. de edele paarden uit Zuid Europa. Deze dieren overleefden het harde klimaat en de roofdieren van Noorwegen niet, maar leefden toch lang genoeg om de inheemse paarden te bevruchten en daardoor het ras te veredelen. Hierdoor ontstond er een wat groter type paard.

 

Helmplaat uit de 7e eeuw voorstellende de Noorse god Odin met zijn twee raven Huginn (gedachte) en Muninn (geheugen).

 

 

 

Paarden werden toen heel anders gehouden dan nu, ze verbleven niet in keurig afgezette grazige weiden maar liepen het hele jaar door vrij rond, merries en hengsten. Ze moesten zelf hun voedsel bijeen zoeken en alleen de  sterkste overleefden. Misschien dat Fjorden daarom altijd op zoek zijn naar voedsel.

In het uiterste westen van Noorwegen, het gebied Hordaland, bleven de paarden klein en puur. Dit Vestlandshest (West-paard) was een primitief paard maar wel bijzonder sterk. In de 1600 en 1700 werd hij als pakpaard gebruikt om goederen over de steile onherbergzame gebieden van het westen naar andere delen van Noorwegen te vervoeren. Omdat er nogal wat kritiek op het exterieur van deze Fjord ontstond, “hij voldeed niet aan de eisen van de tijd”, wilde men een groter, sterker en zwaarder paard. Vanaf ca. 1850 begon het kruisen met het Døle paard. Dit Døle of Gudbrandsdaler paard werd zelf ook al gekruist met diverse andere rassen zoals het Deense paard. De boeren gingen met hun merries naar de staatshengsten en dit waren veelal Døle hengsten.

In 1892 werd de toen 3 jarige hengst Rimfakse als dekhengst ingezet, het was een uitzonderlijk mooie hengst een roodvos met witte staart en manen. Van moeders kant puur Fjord, de overgrootvader van de merrie was de beroemde hengst Rosendalsborken. Zijn vader was van gemengd bloed met o.a. de Dølehengst Harald Viking in zijn genen. De eerste nakomelingen waren erg geslaagd en er werd dus veel van de hengst gebruik gemaakt, ook in het westen waar tot dan niet gekruist werd, zelfs zo vaak dat er bijna geen pure Fjorden meer waren. In de tweede en derde lijn gingen de nakomelingen allerlei gebreken vertonen. Ze waren onhandelbaar, grof van bouw en hadden onaantrekkelijke kleuren. De ontevreden boeren uit het westen kwamen in 1907 bijeen en besloten alle sporen van Rimfakse uit de fokkerij te verwijderen.

Er waren slechts nog een handvol pure merries en eigenlijk stammen alle huidige Fjorden af van de hengst Njåll 166 en zijn zonen. Het is aan de vruchtbaarheid van de Fjord en de intelligentie van de fokkers te danken dat het ras nog bestaat.

De hengst Njåll werd geboren in 1891 en in 1895 ingezet voor de fokkerij. Vanaf 1907, drie jaar voor zijn dood, werd er pas intensief van deze hengst gebruik gemaakt. In 1907 dekte hij 97 merries terwijl het in de voorgaande jaren om 10 tot 20 dekkingen per jaar ging.

Van Njåll werden 31 zonen en 8 dochters ingeschreven in het stamboek. De vier meest bekende zonen zijn Rosenkrants 239, Rolf Njålson 264, Fremad 275 en Odin Fridtun 423.

In Nederland werden in de 19e eeuw al wat Fjorden geïmporteerd maar na de tweede wereldoorlog kwam de import van Fjorden pas goed op gang. Eerst met hulp van de staat, kleinschalige boeren konden met subsidie de sterke sobere Fjord aanschaffen.De meeste Fjorden kwamen toen uit Denemarken en waren van het brede soort met korte benen, ze konden het werk op de boerderij goed aan. Ze waren zo’n succes dat de boeren zelf gingen fokken. Er werden hengsten aangekocht en in 1956 werd Het Nederlandse Fjordenpaarden Stamboek opgericht met eigen hengsten die gestationeerd werden over ons hele land.

Begin jaren 60 werd het Fjordenpaard ook door de recreatieruiter ontdekt. Er ontstond vraag naar Fjorden, ze werden zelfs door handelaren vanuit Denemarken geïmporteerd. Er werd een meer rijtypische Fjord gevraagd en door het goede fokbeleid van Het Nederlandse Fjordenpaardenstamboek is dat aardig gelukt zonder de rastypische eigenschappen uit het oog te verliezen.

De Fjord van nu is een veelzijdig paard, geschikt om op te rijden of in te spannen. Hij kan aardig meekomen in de basissport en wordt, door zijn prettige karakter, veelvuldig ingezet bij het rijden voor gehandicapten en bij maneges. Maar vooral is een Fjord geschikt om er een heerlijke buitenrit mee te maken, zowel onder de man als aangespannen.